
uit Alja Spaan, ‘de dagelijkse oefening van het verdwijnen’, een essay van de J.C. Bloemstichting, juni 2026
“Een dichter bij een eenzame uitvaart doet in wezen iets wat ook haar poëzie doet: aanwezig zijn namens de taal op het moment dat iemand anders dreigt te verdwijnen zonder getuige. Het gedicht is dan geen versiering. Het is een laatste vorm van menselijkheid.”



